direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Franciscushof Zuid
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Raalte is voornemens om het zuidelijk deel van de locatie Franciscushof, ten noordwesten van de kern Raalte, te herontwikkelen. De locatie Franciscushof betreft een voormalig terrein van een psychiatrische inrichting. De gemeente Raalte werkt sinds 2006 aan de transformatie van de locatie Franciscushof naar een woongebied. Op basis van een stedenbouwkundig plan is in 2011 het bestemmingsplan Franciscushof vastgesteld voor de beoogde woningbouwontwikkeling in dit gebied. Een deel van het oorspronkelijke stedenbouwkundig plan is uitgevoerd, namelijk de Noordrand, Singel en de Veldhof. Daarna heeft de ontwikkeling stilgelegen door andere inzichten in de markt in relatie tot het woonprogramma, omgang met het landschap, beleving en onderzoek naar de verbreding van de N35.

Door gewijzigde inzichten heeft de gemeente besloten om voor het nog niet ontwikkelde zuidelijke deel van de locatie een nieuw stedenbouwkundig plan op te stellen. Om op basis van het stedenbouwkundig plan de beoogde ontwikkeling van Franciscushof Zuid juridisch-planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied van de beoogde ontwikkeling bevindt zich ten noorden van N35 en ten noordwesten van de kern Raalte. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de N35, aan de oostzijde door de Harinkdijk en aan de noordzijde, bij het HOFtheater, wordt het plangebied begrensd door een waterpartij.

In de grotere context ligt het plangebied tegen het landgoed 't Reelaer en vormt het een belangrijke schakel tussen Raalte en het recreatieve landschap en ecologische zones.

De volgende percelen onder de kadastrale gemeente Raalte in sectie A maken geheel of gedeeltelijk onderdeel uit van het plangebied: 205, 206, 6520, 3229, 5768, 2814, 4237, 3691, 4236, 3253, 6521, 6140. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 24 hectare.

Navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0001.png" Globale ligging plangebied (wit omcirkeld, bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0002.png"

Globale begrenzing plangebied (wit omkaderd, bron: Google Maps)

Voor de exacte begrenzing van het plangebied dient de digitale verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan te worden geraadpleegd.

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Franciscushof' van toepassing. Dit plan is vastgesteld op 20 april 2011. Dit bestemmingsplan is opgesteld op basis van het stedenbouwkundig plan dat destijds is gemaakt voor de woningbouwontwikkeling van het totale gebied Franciscushof. Het noordelijk deel van Franciscushof is reeds ontwikkeld, hiervoor heeft in 2019 een partiële herziening van het bestemmingsplan plaatsgevonden.

Voor het zuidelijk deel is inmiddels een nieuw stedenbouwkundig plan vastgesteld. Aan de noordzijde valt onderhavig plangebied voor een klein deel binnen het vigerende bestemmingsplan 'Franciscushof, partiële herziening 2019'.

Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de vigerende bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0003.png"

Uitsnede vigerende bestemmingsplannen 'Franciscushof' en 'Franciscushof, partiele herziening 2019' (plangebied: rood omkaderd, bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

In het plangebied zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Wonen - 1, Wonen - 2, Gemengd, Groen, Water en Verkeer - Verblijfsgebied.

Het Paraplubestemmingsplan Parkeren is van toepassing op het gehele grondgebied van de gemeente Raalte. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 27 september 2018 en voorziet in de planologische verankering van het parkeerbeleid van de gemeente Raalte.

De beoogde ontwikkeling past, op basis van het nieuwe stedenbouwkundig plan, niet meer binnen de grenzen van de bestemmingen zoals die in de vigerende plannen zijn opgenomen. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient er een bestemmingsplanwijziging plaats te vinden voor Franciscushof Zuid. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden. Hoofdstuk 4 bevat de uitvoerbaarheidsaspecten. Tot slot bevat de toelichting hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5) en de procedure van het plan (hoofdstuk 6).

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied, het zuidelijke deel van de woningbouwlocatie Franciscushof, heeft een oppervlakte van ca. 24 hectare. De gesloopte psychiatrische inrichting St. Franciscushof laat nog sporen na in het gebied. Het HOFtheater is het enige gebouw dat nog uit die periode behouden is en is inmiddels grondig gerenoveerd. De tuin aan de westzijde van het HOFtheater met solitaire bomen is een landschappelijk relict. Datzelfde geldt voor de open plekken in het bosareaal in het meest westelijke deel van de locatie. Hier stonden paviljoens in het landschap.

In het gebied zelf is een open veld (oostzijde) en een oud boscomplex (westzijde) aanwezig. De bestaande laan Harinkdijk verbindt de Knapenveldsweg met de Beethovenlaan en gaat over het boscomplex en takt vervolgens aan op de Knapenveldsweg aan de andere zijde van de locatie.

Navolgende afbeelding toont een luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0004.png"

Huidige situatie plangebied (bron: Stedenbouwkundig plan, Bijlage 1)

2.2 Toekomstige situatie

Plan uitgangspunten

Voor Franciscushof Zuid heeft de gemeente, op basis van gewijzigde inzichten een nieuw stedenbouwkundig plan op laten stellen. Het stedenbouwkundig plan (Bijlage 1) vormt de basis voor de inrichting van het plangebied. Het plan heeft een aantal voorwaarden waar in het ontwerp rekening mee gehouden is:

  • de verdubbeling van de N35 en aanpassing van het knooppunt Raalte (N348/N35);
  • het ontwikkelen van een groen casco;
  • vanwege een veranderde markt is er behoefte aan een andere mix van woningen dan in het oorspronkelijke plan was opgenomen (meer woningen in het middensegment);
  • landschappelijke landmarks dragen bij aan de sociale cohesie voor de bewoners.

In aanvulling op voornoemde voorwaarden dienen de volgende ruimtelijke bouwstenen als basis voor de ontwikkeling van Franciscushof Zuid:

  • de Harinkdijk vormt een belangrijke drager die uitkomt op het landgoed;
  • daarnaast vormt de Harinkdijk ook een recreatieve route naar het landschap;
  • de landschappelijke structuren worden versterkt;
  • een brede geluidswal met beplanting;
  • een rustig woonmilieu met ruimte voor landschappelijke inbedding;
  • verschillende woonbuurten/deelgebieden met een eigen karakter.

In het ontwerp is rekening gehouden met de verdubbeling van de N35 en de beoogde nieuwe ligging van de weg. In onderhavig bestemmingsplan zijn de gronden die in de toekomst beoogd zijn voor de aanpassingen van de N35 opgenomen als groenstrook. Deze strook blijft onbebouwd. Het plan vormt dan ook geen belemmeringen voor de toekomstige ontwikkelingen van de N35.

Ruimtegebruik

Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 24 hectare dat verdeeld is in uitgeefbaar, bos, bloemenveld, park, verharding, halfverharding, water en ruimtereservering voor de N35. Navolgende afbeelding toont de verdeling van het ruimtegebruik in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0005.png"

Ruimtegebruik toekomstige situatie plangebied (bron: Stedenbouwkundig plan, Bijlage 1)

Programma

Met de ontwikkeling van Franciscushof Zuid zijn in totaal 171 woningen beoogd. Navolgende afbeelding toont de bebouwingsstructuur en de verdeling van de beoogde woningtypen zoals opgenomen in het oorspronkelijke stedenbouwkundig plan van SVP. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan besloten om tien betaalbare woningen aan het plan toe te voegen in het deelgebied 'De Erven', deze staan niet op de navolgende afbeelding. Het plan bevat een variatie van rijwoningen, hoekwoningen, vierspanners, tweekappers en vrijstaande woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0006.png"

Woningbouwprogramma toekomstige situatie plangebied (bron: Stedenbouwkundig plan, Bijlage 1)

De toevoeging van tien betaalbare woningen aan het deelgebied 'De Erven' zorgt voor een kleine aanpassing aan het woningbouwprogramma. In de onderstaande figuur is de verandering ten opzichte van het oorspronkelijke stedenbouwkundig plan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0007.png"

Woningbouwprogramma toekomstige situatie plangebied na toevoeging tien betaalbare woningen.

De bebouwing in Franciscushof sluit aan bij de Sallandse bouwtypologie. Daarom is één van de basisrandvoorwaarden dat alle woningen voorzien worden van een kap. De woningen hebben een maximale bouwhoogte van 2 bouwlagen + één kap en de aanbouwen en bijgebouwen hebben maximaal 1 bouwlaag + één kap.

Navolgende afbeelding toont de verschillende deelgebieden zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0008.png"

Deelgebieden toekomstige situatie plangebied (bron: Stedenbouwkundig plan, Bijlage 1)

De Franciscushof Zuid bestaat uit zes deelgebieden met ieder een eigen karakter van het landschap en bebouwing:

  • De Velden: Compact wonen met voorkanten van woningen aan de bloemrijke velden en greppels waar het water bovengronds wordt afgevoerd. Het parkeren wordt op de achterterreinen opgelost. Er ontstaat een samenhangend beeld per bouwveld in kleur en uitstraling.
  • De Erven: De voordeuren liggen aan een gemeenschappelijk erf en de achterkant van de woningen tegen de bosrand of het veld. Een bijzonder wooncluster (met bijvoorbeeld rug-aan-rug woningen) of een boerderijwoning ligt op het erf. Verschillende bouwvolumes wisselen elkaar af en verspringen in rooilijn. Het architectuurbeeld is landelijk en verschillend van bouwvolume.
  • Het Eiland: Hier is het 'vrij' wonen met uitzicht en de perfecte locatie om een eigen bouwkavel in te vullen. Elke woning heeft een eigen architectonische kwaliteit en zicht op het landschap. Of dat nu de oude laan, de waterpartij of het infiltratieveld met vennen is, het maakt niet uit.
  • Bosrijk: In het bosrijke deel van het plan staat bebouwing op de open plekken, om zoveel mogelijk bomen in te passen. Eén complex aan het einde van de laan wordt uitgewerkt als landgoed Franciscushof, door de positie aan de laan en de tuin, maar ook door een sterk architectonisch concept. De woningen hebben een sterke relatie met het landschap.
  • Geluidslandschap: Een combinatie van landschap, recreatie en geluidmaatregelen is te vinden in het geluidslandschap. Ter hoogte van het boscomplex wordt een groen beplant geluidscherm gerealiseerd om zoveel mogelijk bomen te behouden. Bij de Velden en Erven start de geluidswal die oploopt van als landschappelijke landmark in de omgeving. Over de geluidswal liggen paden verscholen tussen bomen en struwelen en een grote speelplek op de top van de heuvel.
  • Theater: Het theater heeft een eigentijdse uitstraling, maar de tuin en inrichting van de omgeving met parkeerplaatsen krijgt een andere invulling. In de tuin worden bestaande bomen ingepast en wordt een tuinontwerp gemaakt met borders, paden en zitplekken. Hierbij wordt de relatie gezocht met het water. De parkeerplaatsen worden gezoneerd aan de randen en klimaatbestendig ingericht met stevige struwelen om de auto's uit het zicht te onttrekken.

Verkeer en parkeren

Door de aanpassing van knooppunt Raalte ontstaat er een nieuwe entree voor Franciscushof. De bestaande aansluiting Beethovenlaan komt te vervallen en ter hoogte van de bestaande Harinkdijk wordt aangetakt op de Knapenveldsweg. De hoofdentree van Franciscushof bevindt zich ter hoogte van de kruising Harinkdijk met Knapenveldsweg. Vanuit de hoofdentree kan het verkeer in drie richtingen. Franciscushof Noord, Franciscushof Zuid met de Velden en de Erven en een doorgaande (fiets)straat die Bosrijk en het Eiland ontsluit. Deze route verbindt ook Raalte met het landgoed ‘t Reelaer en het buitengebied. Aan het einde van de route wordt die mogelijk verbonden met de Knapenveldsweg. Dit is afhankelijk van de reconstructie van de N35 en zal in het kader daarvan afgewogen worden.

Parkeren wordt zoveel mogelijk uit het zicht voorzien door parkeren grotendeels op achterterreinen van de eigen kavels op te lossen. Parkeerplaatsen voor bezoekers worden voorzien in de openbare ruimte aan de straat. Voor het parkeren rond het HOFtheater wordt het huidige parkeerterrein heringericht zodat het één geheel gaat vormen met de tuin rondom het HOFtheater. Voor de parkeerbalans wordt verwezen naar paragraaf 4.12.2.

Duurzaamheid

In het plan is rekening gehouden met het voorkomen van hittestress. Het behouden van bestaande (grote) bomen en bos zal ervoor zorgen dat er minder direct zonlicht de omgeving bereikt en er schaduwrijke plekken ontstaan om en rond de woningen. Op de plaatsen waar het gebied open is zorgen grote solitaire bomen of boomgroepen voor schaduwrijke plekken. In de Velden en de Erven is de verkaveling zuid-zuidwest georiënteerd, zodat de wind door de rechte straten kan waaien en zo op warme dagen zorgt voor een windstroom die warmere straten afkoelt. De gevarieerde meerlaagse beplanting op de wal sluit aan op het boscomplex en zorgt voor schaduwrijke plekken voor kleine zoogdieren, insecten en vogels. De verharding in het openbaar gebied is tot een minimum beperkt, door het principe van shared space, open verharding en doorlatende halfverharding. Hierdoor wordt de opwarming van de openbare ruimte tot een minimum beperkt.

De ontwikkeling van Franciscushof Zuid geeft invulling aan circulariteit door de afgraving van de grond voor bouw- en woonrijp maken te gebruiken om een deel van de geluidswal te realiseren. De bestaande struwelen die nu de N35 afschermen worden herplant op de geluidswal of rondom het parkeerterrein van het theater. Het behouden van de bestaande bomen is de meest circulaire gedachte, maar de bomen die toch gekapt worden gebruikt voor het realiseren van de verschillende nieuwe landmarks in het gebied, zoals schommels en zitelementen. Daarnaast wordt onderzocht hoe er circulair gebouwd kan worden met verantwoord materiaalgebruik.

Nieuwe woningen in het gebied worden gerealiseerd volgens de nieuwe BENG-normen en zonder aardgasaansluiting. Door de zon- of schaduwrijke ligging van woningen zijn er verschillende mogelijkheden voor alternatieve energieopwekking. De woningen in de Velden en de Erven liggen goed voor zonne-energie en kunnen verwarmd worden met individuele warmtepompen. Voor het Eiland liggen er mogelijkheden om ondiepe geothermie te realiseren met bodemlussen. In de gemeente Raalte wordt een maximale boordiepte van 50 meter diep aangehouden vanwege grondwaterwingebied. De woningen in Bosrijk moeten goed geïsoleerd worden, om zo weinig mogelijk energie te verliezen en kunnen bijverwarmd worden door een individuele warmtepomp. Ter hoogte van de centrale parkeerplaatsen voor het HOFtheater, aan de oostkant van de ontsluitingsweg, liggen kansen voor een zonnepanelenveld boven de parkeerplaatsen en een opwekking van energie voor de wijk of de openbare ruimte.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan worden ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050, brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Het Rijk wil sturen op en richting geven aan nationale belangen. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Planspecifiek

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een NOVI-gebied. Er is bij het plan geen sprake van rijksbelangen, waardoor de conclusie is dat het plan niet in strijd is met het rijksbeleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van het nut en de noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Planspecifiek

Met de wijziging van het bestemmingsplan voor de beoogde woningbouwontwikkeling van Franciscushof Zuid, nemen de bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van de huidige situatie toe. Gezien de omvang van de beoogde ontwikkeling van maximaal 171 woningen is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve dient een beschrijving van de behoefte aan deze ontwikkeling opgenomen te worden. Tevens vindt de ontwikkeling plaats buiten bestaand stedelijk gebied. Navolgend zal de behoefte van de ontwikkeling worden aangetoond en wordt gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in deze behoefte kan worden voorzien.

De woningbehoefte van Raalte is uitgewerkt in het Programma Wonen van de gemeente (vastgesteld op 20 mei 2021). Tot nu toe ging de gemeente uit van het realiseren van 700 woningen tot 2030. In het Programma Wonen 2021-2025 gaat de gemeente uit van het toevoegen van 1.500-2.000 woningen tot 2030. In de gemeente is de laatste jaren een toenemende woningkrapte te zien in zowel de koop- als huursector en steeds maar stijgende koopprijzen. Tegelijkertijd zal het aantal huishoudens de komende jaren nog groeien. De groei komt enerzijds door de autonome ontwikkeling van gezinsverdunning en anderzijds door het vestigingsoverschot zoals de gemeente die afgelopen jaren ook heeft gehad. Zowel de regio als de provincie hebben een forse groeiambitie die niet door enkel de grote steden opgelost kan worden. Met de woningbouwontwikkeling van Franciscushof levert de gemeente Raalte een bijdrage aan zowel de behoefte van de gemeente als die van de regio en provincie.

De ontwikkeling van Franciscushof draagt bij aan een diverse woningvoorraad met zowel huur- als koopwoningen van vrijstaande woningen tot kleinere tussenwoningen. De ontwikkeling sluit daarmee aan bij de vraag naar geschikte woningen voor met name starters en middeninkomens.

Binnen het bestaand bebouwd gebied van de kern Raalte kan onvoldoende worden voorzien in de woonopgave van de gemeente, zelfs niet met herstructurering en/of transformatie. Bovendien was het plangebied tot voorkort deels bebouwd ten behoeve van de voormalige psychiatrische inrichting. Na de sloop van Sint Franciscushof is het gebied aangewezen als woningbouwlocatie voor de gemeente Raalte, waarbij de kwaliteit van wonen in een groene, landelijke uitstraling de basis vormt.

Conclusie

Voor onderhavig plan is zowel de behoefte als de ligging buiten bestaand stedelijk gebied onderbouwd. Er wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsverordening en Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel van 1 mei 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving behandeld. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden. Op 13 november 2019 is de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2018/2019 vastgesteld en op 3 maart 2021 is de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2019/2020 vastgesteld.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld. Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieus betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities.

De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hierbij. Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.2 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.


Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.


Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.


Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.


Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.


Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0009.jpg"
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: Provincie Overijssel)


Planspecifiek

Indien het initiatief, de woningbouwontwikkeling in Franciscushof Zuid, wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.


Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De generieke beleidskeuzes vormen de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. In het kader van de toekomstige wetswijziging wordt hier reeds aan getoetst in aanvulling op de Ladder voor duurzame verstedelijking conform Artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening. De beleidskeuzes hebben betrekking op integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De beleidskeuzes worden navolgend onderbouwd.

  • 1. Integraliteit

Voor de onderbouwing van de integraliteit van het plan worden navolgend de relevante belangen en beleidsambities afgewogen.

Woonomgeving

Voor de beoogde ontwikkeling zijn de ambities voor de woonomgeving van belang. Het plangebied is in de omgevingsvisie aangewezen als gebied voor verspreide woonbebouwing en wonen in de Groene Omgeving. Het gaat hierbij om alle woningen buiten de Stedelijke Omgeving. In de Groene Omgeving is bij voorkeur op agrarische erven ruimte voor aanvullende woonmilieus onder voorwaarde van gebruik van de Overijsselse ladder voor duurzame Verstedelijking, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. In het plangebied zijn geen agrarische erven aanwezig. Wel sluit de beoogde woningbouwontwikkeling aan op bestaand stedelijk gebied en wordt de bebouwing ingepast in de omgeving en bestaande landschappelijke kwaliteiten. De Overijsselse ladder voor duurzame Verstedelijking, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken zijn in deze paragraaf verder uitgewerkt.

Buiten de stedelijke omgeving hebben ‘groene’ functies prioriteit, ontwikkelingen die hier niet primair thuishoren, zoals woningbouw, worden alleen toegestaan als zij een meerwaarde opleveren voor de kwaliteit zoals landschap, cultuurhistorie, water- en natuuropgaven. In de volgende paragraaf worden deze aspecten nader onderbouwd.

Economie en vestigingsklimaat

Gemeenten maken gebiedsgerichte beleidskeuzes over de locaties en functies waar herontwikkeling van agrarische bedrijfsgebouwen mogelijk is. De afwegingen voor die beleidskeuzes zijn gebaseerd op het aanbod van kavels, de marktvraag, meerwaarde voor de omgeving, cultuurhistorische waarden en het belang van vitale gemeenschappen. De provincie vraagt gemeenten in hun omgevingsvisie gebiedsgerichte keuzes te maken met een koppeling naar de gemeentelijke woon- en bedrijventerreinenvisies. De gemeente Raalte heeft hier in haar omgevingsvisie invulling aangegeven. Daarbij is onderhavig plangebied aangewezen als woongebied. In paragraaf 3.4.1 wordt hier nader op ingegaan.

Natuur

In het agrarische gebied heeft de provincie leefgebieden voor te beschermen en te beheren planten, weidevogels en andere dieren aangewezen. Onderhavig plangebied is aangewezen als leefgebied droge dooradering. Bij het ontwikkelen van nieuwe initiatieven in deze leefgebieden wordt, naast de agrarische ontwikkelmogelijkheden, de functie van het leefgebied voor soorten van het natuurtype droge dooradering meegewogen. Onder de gebiedsspecifieke kernmerken wordt hier nader op ingegaan.

Regionaal waterbeheer

Het plangebied maakt onderdeel uit van het grondwaterlichaam Zand Rijn-Oost. Het betreft een KRW-grondwaterlichaam in de provincie Overijssel waarvoor specifieke kwaliteits- en kwantiteitsdoelen zijn geformuleerd en waarvoor een rapportageverplichting geldt aan de Europese Commissie te Brussel, ter uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW).

Het plangebied ligt in de 'Boringsvrije zone Sallands Diep'. Alle onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld in dit gebied zijn vergunningplichtig.

Daarnaast valt het plangebied binnen het gebied dat wateraanvoergebied is voor het IJsselmeer. In droge tijden kan dit gebied worden voorzien van water vanuit het IJsselmeer. Het beleid is er allereerst op gericht om het beschikbare water zo zuinig mogelijk te gebruiken en om de neerslag zo veel mogelijk in het gebied vast te houden. Dit vermindert de aanvoer van water, wat energie spaart en de waterkwaliteit bevordert. Hier wordt onder andere invulling aangegeven door in het plangebied ruimte te creëren voor waterberging. Het water wordt zoveel mogelijk vertraagd en vastgehouden in het gebied. Dat begint bij de woning. Waar mogelijk wordt, op platafgedekte daken (bijgebouwen), een mossedum-dakbedekking toegepast. En het hemelwater wordt afgekoppeld en deels gebufferd in de tuinen. Daarnaast worden in openbaar gebied open verharding toegepast op de openbare parkeerplaatsen en er zijn greppels en vennen ontworpen die zorgen voor een vertraging en lokaal infiltreren van het regenwater. Bij een piekbelasting zal het hemelwater boven- of ondergronds worden afgevoerd op de waterplas die centraal in het plan ligt.

Energie

Het gebied is aangewezen voor beperkingen voor WKO. In dit gebied mogen WKO-systemen worden aangelegd tot een diepte van maximaal 50 meter (boringsvrijzone). Geothermie is in het plangebied niet toegestaan. Met de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten bij de regelgeving voor energie.

Conclusie

Er wordt in het plan rekening gehouden met de verschillende beleidsambities. Op deze manier is er sprake van een integraal plan.

  • 2. Toekomstbestendigheid

De eis dat gekozen oplossingen voor maatschappelijke opgaven toekomstbestendig moeten zijn, houdt in dat een initiatief de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te kunnen voorzien niet in gevaar mag brengen. Initiatieven moeten bijdragen aan een duurzame benadering van ontwikkelingen die voorzien in de behoefte van de huidige generatie, maar die opties open houdt om ook te voorzien in behoeften van toekomstige generaties. Het gaat om een evenwichtige benadering van het welzijn van mensen, economische welvaart en van het beheer van natuurlijke voorraden. De beoogde ontwikkeling sluit aan op de huidige vraag en op de verwachtte vraag in de toekomst. Zowel het welzijn van de mens als de natuur zijn een belangrijk onderwerp in de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling draagt onder ander bij aan de sociale cohesie voor bewoners door plekken voor ontmoeting te creëren. Tevens zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot verschillende milieuaspecten (zie Hoofdstuk 4). Om wonen in het landschap als woonkwaliteit waar te maken en de ecologische landschappelijke structuren te versterken wordt er een sterk groen casco ontwikkeld. Het bestaande bos, de lanen en de bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk versterkt. Het groene casco wordt natuur inclusief en klimaatbestendig ingericht net als de rest van de openbare ruimte van Franciscushof.

  • 3. Concentratiebeleid

Het concentratiebeleid van de provincie Overijssel houdt in dat stedelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) zoveel mogelijk geconcentreerd worden in de stedelijke netwerken Twente (Enschede, Hengelo, Almelo, Oldenzaal en Borne), Zwolle-Kampen en Cleantech regio (Deventer). Voor de overige kernen geldt dat er voor lokale behoefte en bijzondere doelgroepen gebouwd mag worden. Met de beoogde woningbouwontwikkeling van onderhavig plan wordt voorzien in de lokale behoefte.

  • 4. (boven)Regionale afstemming

Middels de Regionale woonagenda heeft regionale afstemming plaatsgevonden tussen de provincie en de gemeenten Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle met betrekking tot de woningbouwprogramma's van de gemeenten.

  • 5. Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Om met name het onderscheid tussen de bebouwde stads- en dorpsomgeving en de onbebouwde Groene Omgeving scherp te houden, wordt sterker gestuurd op het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding'. Door middel van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.3) wordt de verplichting opgelegd om voor stedelijke functies eerst de mogelijkheden te benutten binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben.

Het plangebied van onderhavige ontwikkeling is in de structuurvisie van de gemeente reeds aangewezen als uitbreidingslocatie voor woningbouwontwikkeling. Het plangebied ligt niet binnen het bestaande stedelijk gebied maar grenst wel direct aan bestaand stedelijk gebied. Onderhavig plan maakt bovendien onderdeel uit van de woningbouwontwikkeling Franciscushof die deels al in uitvoering is gebracht. Binnen bestaand stedelijk gebied is tevens geen ruimte voor het beoogde aantal woningen. Het plangebied vormt daarmee een logische en passende locatie voor de beoogde ontwikkeling.


Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van toepassing omdat het plangebied zich in het buitengebied bevindt.

Voor de groene omgeving zijn 3 ontwikkelperspectieven te onderscheiden:

  • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW)
  • agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap
  • wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap

Voor onderhavig gebied is het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap van toepassing.

Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

Met de beoogde situatie wordt het buitengebied in gebruik genomen voor de ontwikkeling van woningbouw. Er wordt aangesloten bij het ontwikkelingsperspectief door de bestaande landschapselementen zo goed mogelijk te behouden en waar mogelijk te versterken. Door een zorgvuldige inpassing, afwisseling van landschapselementen en wonen en overgangszones naar aangrenzende gebieden is er sprake van een kleinschalig mixlandschap. De overgang van privé- naar openbaar gebied wordt op verschillende manieren vormgegeven, maar heeft altijd een groen karakter, door aanplant van (beuken)hagen. Omdat er in de huidige situatie geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of waardevolle natuur aanwezig is in het plangebied is er ook niet de mogelijkheid om dit te behouden.


Gebiedskenmerken

De laatste stap is toetsen hoe de ontwikkeling vormgegeven kan worden. Dit wordt gedaan aan de hand van gebiedskenmerken. Er worden vier lagen onderscheiden: laag van de beleving, stedelijke laag, laag van de agrarische cultuurlandschappen en de natuurlijke laag. De ontwikkeling dient in lijn te zijn met de gebiedskenmerken van de verschillende lagen. De relevante kenmerken zullen derhalve navolgend benoemd worden.


Laag van de beleving

Het plangebied maakt onderdeel uit van het inundatieveld IJssellinie. In dit gebied zijn mogelijk 'bakens in de tijd' aanwezig. Bakens in de tijd zijn relicten van diverse aard uit verschillende perioden van de wordingsgeschiedenis van Overijssel. De ambitie voor bakens in de tijd is verbindingen en verbanden creëren tussen bestaande bakens die onderdeel van een groter geheel zijn, maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen. Bakens van deze tijd kunnen worden toegevoegd en monumenten, karakteristieke gebouwen en cultuurhistorische waarden moeten bewust ingezet worden. In het plangebied zijn geen 'bakens in de tijd' aangewezen. Wel zijn er verschillende landschappelijke relicten te herkennen zoals de oude beukenlaan aan de noordzijde van het plangebied en de tuin van het HOFtheater met de solitaire bomen. Deze landschappelijke relicten blijven met de beoogde ontwikkeling behouden. Er worden geen 'bakens in de tijd' aangetast of verwijderd.


Stedelijke laag

Het plangebied bevindt zich niet in stedelijk gebied. Het gebied is aangewezen voor 'verspreide bebouwing'. De gebiedskenmerken die beschreven zijn hebben voornamelijk betrekking op agrarische erven. In het plangebied zijn in de huidige situatie geen agrarische erven aanwezig. De benoemde ambitie heeft dan ook geen betrekking op onderhavig plangebied. Wel draagt de ontwikkeling van het plangebied bij aan het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (zie paragraaf 3.2.3).


Laag van de agrarische cultuurlandschappen
Een deel van het plangebied bevindt zich in het oude hoevenlandschap. Dit landschap wordt gekenmerkt door verspreide erven en werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zochten. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. De essen en esjes krijgen een beschermde bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de karakteristieke openheid, de bodemkwaliteit en het reliëf. Voor ontwikkeling in dit landschap geldt dat deze bijdragen aan behoud en accentuering van de dragende structuren van het oude hoevenlandschap en aan de samenhang en aan de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.

Ter plaatse van het plangebied zijn geen essen of karakteristieke elementen, zoals houtwallen, van het oude hoevelandschap aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling wordt het oude hoevelandschap dan ook niet aangetast.

Het westelijke deel van het plangebied bevindt zich in het jong heide- en broekontginningslandschap. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het ‘inbreidings’landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat.

Voor het westelijk deel van het plangebied is in de huidige situatie geen sprake van een grote open ruimte. Het plangebied bestaat grotendeels uit bos. Het bos en de bestaande groenstructuren blijven zoveel mogelijk behouden en met het ontwerp is aangesloten bij de landschappelijke structuren in en om het plangebied.


Natuurlijke laag
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebied met 'dekzandvlakte en ruggen'. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.

In het stedenbouwkundig plan is aandacht besteed aan de natuurlijke laag door de natuurlijke verschillende tussen hoog en laag te behouden en te versterken en door de bestaande structuren van het landschap te benutten. De centrale waterpartij wordt verlengd en verbreed en vormt samen met de greppels in de velden de basis voor een klimaatbestendige inrichting van het openbaar gebied.


Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.2.3 Werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Gemeenten staan voor de uitdaging om de Omgevingsvisie te vertalen naar de gemeentelijke praktijk. Binnen de randvoorwaarden uit de Omgevingsvisie hebben gemeenten de ruimte om eigen beleid te ontwikkelen. Een van de hoofdlijnen van beleid is de zogenaamde Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Kort gezegd betekent dit dat er in het buitengebied ruimte is voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen, meer dan in het Streekplan het geval was, mits die gelijk opgaan met verbeteringen van de ruimtelijke kwaliteit. Ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties moeten in evenwicht zijn.

In een gezamenlijk project van 11 gemeenten en de provincie Overijssel is door middel van onderlinge kennisuitwisseling dieper ingegaan op de achtergronden van de ruimtelijke kwaliteitsprincipes voor de groene omgeving. De provincie heeft dit project gefaciliteerd. De contouren van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving vanuit provinciaal beleid zijn - samen met de wensen, vragen en verwachtingen van de deelnemende gemeenten - verder uitgewerkt en specifiek gemaakt. In themabijeenkomsten hebben gemeenten met elkaar kunnen sparren over een goede manier om de vertaling te maken naar de eigen praktijk en de eigen organisatie.

Twee principes uit de Omgevingsvisie Overijssel vormen het vertrekpunt:

  • 1. elke ontwikkeling dient bij te dragen aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 2. de ontwikkelingsruimte die men krijgt dient in evenwicht te zijn met investeringen in de ruimtelijke kwaliteit.

Planspecifiek

Onder de Groene Omgeving wordt verstaan de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. Het plangebied maakt hier onderdeel van uit. De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving biedt mogelijkheden voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, mits die gelijk opgaan met verbeteringen van de ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit is in de omgevingsverordening gewaarborgd door middel van het uitvoeringsmodel, bestaande uit generieke beleidskeuzen, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. In paragraaf 3.2.2 is hier aan getoetst.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Woonagenda West-Overijssel 2021-2025

De provincie Overijssel, de Overijsselse gemeenten en hun partners werken al jaren samen aan een kwantitatieve en kwalitatieve balans op de woningmarkt. Voor de periode 2021-2025 is dit vastgelegd in twee regionale Woonagenda's: een voor West-Overijssel en één voor Twente.

In de Woonagenda voor West-Overijssel wordt de gezamenlijke inzet van de gemeenten en provincie geschetst. Voor West-Overijssel betekent een toekomstbestendige woningmarkt:

  • 1. een inclusieve woningmarkt: wonen voor iedereen
  • 2. een toekomstbestendige leefomgeving: sterke steden en vitale kernen en buitengebied
  • 3. een duurzaam en circulair woningbestand.

Planspecifiek

Met de ontwikkeling van Franciscushof Zuid wordt een divers en kwalitatief woningaanbod gecreëerd. Er wordt aangesloten op de lokale en regionale behoefte voor huidige en toekomstige inwoners van Raalte. De ontwikkeling biedt een woonmilieu met unieke woonkwaliteiten van de regio. Aan de rand van Raalte is het rustig wonen met een goed voorzieningen niveau en een goede bereikbaarheid. De behoefte aan dergelijke woonmilieus is groot. Het toevoegen van dit woonmilieu draagt bij aan de vitaliteit en economie van de kern Raalte. Naast dat de woningen aardgasloos gebouwd worden is er in het plan specifiek aandacht voor duurzame woningbouwontwikkeling. Door de zon- of schaduwrijke ligging van woningen zijn er verschillende mogelijkheden voor alternatieve energieopwekking. In paragraaf 2.2 wordt nader ingegaan op de duurzaamheid en circulariteit van het plan.

Conclusie

De ontwikkeling is in lijn met de regionale Woonagenda West-Overijssel 2021-2025.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Raalte

De Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040 is op 26 november 2020 vastgesteld door de gemeenteraad. De omgevingsvisie is een strategisch document dat richting geeft aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.

In de omgevingsvisie ligt de focus op drie kernopgaven: één gericht op het buitengebied, één gericht op de directe woonomgeving en één gericht op Raalte in de regio. De kernopgaven zijn gebaseerd op wat de inwoners van de gemeente belangrijk vinden. De volgende kernopgaven zijn door de gemeenteraad vastgesteld:

  • 1. Hoe geven we vorm en invulling aan de ontwikkelingen in het buitengebied, zodat het een prettige plek blijft om te wonen, werken, ondernemen en recreëren?
  • 2. Hoe zorgen we dat bestaande wijken en dorpen leefbaar en aantrekkelijk blijven?
  • 3. Hoe creëren we de optimale randvoorwaarden voor wonen, werken, ondernemen en recreëren in Raalte?

De ambitie voor het buitengebied van Raalte is: Raalte als groen en innovatief productielandschap. Bij deze ambitie zijn 5 ontwikkelinrichtingen opgesteld.

  • 1. Wij kiezen voor een sterk en afwisselend landschap door het verder te ontwikkelen, te versterken en te behouden wat waardevol is.
  • 2. Wij kiezen met technologie, innovatie en experiment voor een toekomstbestendige landbouw die meerwaarde oplevert voor de leefomgeving en het landschap.
  • 3. We grijpen de kansen in stedelijk gebied aan om energie duurzaam op te wekken. We erkennen tegelijkertijd dat de opgave te groot is om alleen in stedelijk gebied op te lossen en daardoor voor een groot deel ook in het buitengebied een plek vindt. We kiezen voor een strategie die uitgaat van onze initiatiefrijke samenleving en die bouwt op draagvlak, zowel sociaal als financieel, met heldere doelstellingen als kader.
  • 4. Wij kiezen voor een vitaal, divers en gemengd buitengebied. Een werk- en productiegebied, waar een balans is met wonen, landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten, natuur en recreatie.
  • 5. Wij kiezen voor kleinschalige recreatie, die past in het landschap en die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied.

De ambitie voor toekomstbestendige wijken en dorpen is: Raalte geeft ruimte aan eigenzinnig samenleven. Bij deze ambitie zijn de volgende 5 ontwikkelrichtingen opgesteld:

  • 1. Wij kiezen voor toekomstbestendige dorpen en wijken: energieneutraal, klimaatadaptief, gezond, veilig en levensloopbestendig. Wij zien hierbij een belangrijke regisserende rol voor de gemeente, die de samenwerking zoekt met andere partijen, stimuleert en aansluit bij waar de energie in de samenleving zit.
  • 2. Wij kiezen voor de inzet van flexibele en collectieve woonconcepten bij nieuwbouw en transformatie. Zo zorgen we voor diversiteit en doorstroming en hebben onze wijken en dorpen in de toekomst meer te bieden.
  • 3. Wij kiezen voor samenwerken aan voldoende ontmoetingsplekken in elk dorp en een goede bereikbaarheid van voorzieningen wanneer die op strategische plekken geclusterd zijn, zoals in het centrum van Raalte en Heino.
  • 4. Wij kiezen voor nieuwbouw en transformatie binnen bestaand bebouwd gebied waarbij woningbouw zo min mogelijk ten koste gaat van waardevol groen, binnen en buiten de kern.
  • 5. We staan open voor woningbouw voor een bovenlokale behoefte. We houden onze dorpen leefbaar door in elk dorp ruimte te geven voor woningbouw en bedrijvigheid zodat minimaal de autonome groei van bevolking en bedrijvigheid kan worden opgevangen.

De ambitie voor de identiteit en regio is: Raalte als het levendige hart van Salland. Bij de ambitie zijn de volgende 5 ontwikkelrichtingen opgesteld:

  • 1. Wij kiezen voor een gemeente die zichzelf aanvullend op de stad positioneert: een plek waar men ruim woont, recreëert in het groen en met elkaar zorgt voor kwaliteit van leven.
  • 2. Wij kiezen voor een sterke wisselwerking tussen de gemeente Raalte en de omliggende regio, om zo te profiteren van economische kansen in Zwolle, Deventer en Twente. We onderscheiden ons met ons vakmanschap en onze open houding ten aanzien van vernieuwing. We dragen uit dat de gemeente Raalte ruimte geeft aan het slim toepassen van innovatie en technologie.
  • 3. We kiezen voor optimale (digitale) bereikbaarheid voor onze inwoners en bedrijven, met een robuuste hoofdinfrastructuur, stationsontwikkeling en nieuwe mobiliteitsconcepten.
  • 4. Wij kiezen voor een gemeente Raalte die zelfvoorzienend is qua energie en die waar noodzakelijk, mogelijk en wenselijk duurzame energie opwekt voor de regio.
  • 5. Wij kiezen voor regionale samenwerking om jongeren te begeleiden en te behouden voor onze werkgevers en om inwoners, waar nodig, ook later in hun leven nieuwe vaardigheden bij te brengen.

Planspecifiek

De beoogde woningbouwontwikkeling vindt plaats in het buitengebied. De kernopgave voor het buitengebied is derhalve van belang voor het initiatief. Er moet getoetst worden of de ontwikkeling in het buitengebied zorg draagt voor het behoud van een prettige plek om te wonen, werken, te ondernemen en de recreëren.

De gemeente wil de afwisseling in het buitengebied behouden. De gemeente kiest voor een vitaal, divers en gemengd buitengebied. een werk- en productiegebied, waar een balans is met wonen, landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten, natuur en recreatie. De bestaande landschaps- en natuurwaarden in het plangebied blijven zo veel mogelijk behouden. Het bestaande bos zal deels gekapt moeten worden ten behoeve van de verbreding van de N35. Hierdoor moet extra zorgvuldig om gegaan worden met de resterende bomen en structuren. Er wordt zoveel mogelijk op open plekken gebouwd en er worden bomen aangeplant om het bosrijke woonmilieu te versterken. De bestaande landschapsstructuren worden versterkt en gecombineerd met nieuwe woonmilieus. Door de aanleg van routes over de landschappelijke geluidswal, het bestaande boscomplex en wandelpaden naar de omgeving wordt recreëren in het landschap van het landgoed gestimuleerd. Ook biedt het plangebied zelf ruimte voor recreëren en ontmoeten.

Met de ontwikkeling van Franciscushof Zuid is daarmee sprake van een balans tussen wonen, landschappelijke kwaliteiten, natuur en recreatie. Daarnaast wordt klimaatadaptief, energiezuinig en circulair ontwikkeld.

De ontwikkeling sluit aan bij de Omgevingsvisie Raalte.

3.4.2 Programma Wonen 2021-2025

In de nota Programma Wonen 2021-2025 geeft gemeente Raalte aan hoe ze de komende jaren willen werken aan het wonen in de gemeente. Het woonbeleid kent een aantal accentverschuivingen ten opzichte van het huidige woonbeleid.

Er is de laatste jaren een toenemende woningkrapte te zien in zowel de koop- als de huursector en steeds maar stijgende koopprijzen. Tegelijkertijd zal het aantal huishoudens de komende jaren nog groeien. Dit komt enerzijds door de autonome ontwikkeling van gezinsverdunning en anderzijds door het vestigingsoverschot zoals we die de afgelopen jaren ook kenden. De inwoners van de gemeente wonen graag in Raalte en onder gezinnen is Raalte een aantrekkelijke gemeente om naar toe te verhuizen.

Landelijk is sprake van woningnood en de regio en provincie hebben een forse groeiambitie die de grote steden niet kunnen oplossen zonder overige gemeenten in de regio. De gemeente Raalte wil graag haar bijdrage leveren aan deze groeiambitie en ziet dit als een kans.

De ambitie van de gemeente Raalte op wonen is dat jong en oud, arm en rijk, een passende woningen kunnen vinden in een toekomstbestendige woonomgeving, waarbij de ruimte wordt gegeven aan eigenzinnig wonen voor huidige en nieuwe inwoners.

Planspecifiek

Om het woningtekort het hoofd te bieden en de ambitie van de gemeente waar te maken, heeft de gemeente haar bouwopgave verhoogd en versnelt. Voor de planningperiode van 2020-2030 gaat de gemeente uit van het realiseren van 1500-2000. Onderhavige ontwikkeling levert met de bouw van 171 woningen een belangrijke bijdrage aan deze bouwopgave. Daarnaast geeft de ontwikkeling invulling aan de vraag naar een divers woningaanbod en een aantrekkelijk woon- en leefmilieu. De woningen variëren van tussenwoningen tot vrijstaande woningen in verschillende sfeergebieden. De ontwikkeling biedt ruimte voor onder andere starters, middeninkomens, 1/2 persoonshuishoudens en gezinnen in de koop- en huursector. Tevens geeft de beoogde ontwikkeling invulling aan de duurzaamheidsopgave (zie 2.2).

Conclusie

De ontwikkeling is in overeenstemming met het woonbeleid van de gemeente Raalte.

3.4.3 Welstandsnota

De gemeente Raalte heeft met ingang van 2016 het welstandstoezicht afgeschaft. Het welstandsvrij bouwen past binnen de landelijke ontwikkeling van wet- en regelgeving binnen de bouwsector, zoals het verruimen van vergunningsvrij bouwen en het privatiseren van de bouwtoets. Dit zijn belangrijke stappen in een ontwikkeling waarbij de verantwoordelijkheid veel meer komt te liggen bij de bouwers en de overheid zich er minder mee bemoeit.

Planspecifiek

De gemeente wil eigentijdse ontwikkelingen stimuleren waarbij ook ruimte is voor een nieuwe beeldkwaliteit. Deze kans doet zich met name voor bij in- en uitbreidingslocaties (zoals de Franciscushof). Welstandsvrij biedt de ruimte om deze eigentijdse ontwikkeling mogelijk te maken. In het bestemmingsplannen stuurt de gemeente om de basiskwaliteit te borgen en bij het inrichten van de openbare ruimte trekt de gemeente steeds meer samen op met de gebruikers/bewoners van de wijk. Deze combinatie biedt ruimte en borgt de basis.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

4.1 Milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:

  • a. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  • b. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  • c. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  • d. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.

De voorgenomen ontwikkeling valt onder categorie D 11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.) van het Besluit milieueffectrapportage. De drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. (van 100 hectare of een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen) wordt niet overschreden. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de 'Europese richtlijn milieueffectbeoordeling' te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-plichtig.

Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling is een separate aanmeldingsnotitie opgesteld. De aanmeldingsnotitie is als bijlage bijgevoegd (Bijlage 2).

4.2 Bodem

In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.

Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.

Planspecifiek

Om de milieuhygiënische bodemkwaliteit van het plangebied vast te stellen is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 3). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt vastgesteld of de gewenste vorm van bodemgebruik vanuit milieuhygiënisch oogpunt mogelijk is. De resultaten geven een indicatie van de (her)gebruiksmogelijkheden van eventueel vrijkomende grond en of bij graafwerkzaamheden aanvullende arbeidshygiënische veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn.

Uit het historisch bodemonderzoek komen geen aanwijzingen naar voren die er op duiden dat na reeds uitgevoerde bodemonderzoek activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit hebben veranderd. Daarom worden de bodemonderzoeken welke zijn opgenomen in het rapport van het historisch onderzoek (Bijlage 3) als voldoende representatief geacht voor het weergeven van de huidige bodemkwaliteit van de gehele onderzoekslocatie.

Uit de bodemonderzoeken blijkt in de grond en het grondwater geen tot licht verhoogde waarden zijn aangetoond. Plaatselijk is sprake van sterk verhoogde concentraties aan nikkel en koper in het grondwater (grondwaterstand vanaf 1,5 m-mv). Omdat geen antropogene bronlocaties aanwezig zijn, worden deze sterk verhoogde waarden vermoedelijk veroorzaakt door verzuring en uitspoeling naar het grondwater als gevolg van bemesting bij (historisch) agrarisch gebruik van de omgeving. Derhalve is geen sprake van een bodemverontreiniging met een antropogene oorzaak. Door de diepteligging van de grondwaterspiegel en omdat deze sterk verhoogde waarden niet in het oppervlaktewater zijn aangetoond is geen sprake van een direct contactrisico.

De locatie is voldoende onderzocht en onverdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen. De locatie wordt derhalve geschikte geacht voor het voorgenomen gebruik als woonlocatie. Geadviseerd wordt om in de zuidwesthoek van de onderzoekslocatie bij het toekomstig gebruik een gebruiksbeperking in te stellen waarmee orale inname van het grondwater met de verhoogde concentraties wordt voorkomen.

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Lucht

In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking.

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

Planspecifiek

De beoogde woningbouwontwikkeling van Franciscushof Zuid kan gezien de beperkte omvang aangemerkt worden als een NIBM-project. Hiervoor is de NIBM-tool ingevuld waarbij is uitgegaan van het aantal verkeersbewegingen zoals opgenomen in paragraaf 4.12.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0010.png" NIBM-tool (bron: Rijkswaterstaat)

Met behulp van de NIBM-tool is aangetoond dat de ontwikkeling daadwerkelijk niet in betekenende mate een bijdrage levert aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Nadere toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan op basis van de gegevens van Atlas Leefomgeving (https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten). De gemiddelde achtergrondconcentratie over 2019 voor NO2 varieert in het plangebied van 14 tot 18 µg/m³. Voor fijnstof PM10 ligt de gemiddelde achtergrondconcentratie over 2019 rond de 16 µg/m³ en voor PM2,5 ligt de gemiddelde waarde rond de 9 µg/m³.

Voor elk van de concentraties (NO2, PM10 en PM2,5) wordt de grenswaarde niet overschreden.

4.4 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeurswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige functies niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige functies in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige functies aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeurswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.

Planspecifiek

Wegverkeerslawaai

Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van de N35 (Heinoseweg), de N348 (Nieuwe Deventerweg), de Burgemeester Zuidwijklaan, Harinkdijk en mogelijk nog te realiseren binnenplanse wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor de beoogde ontwikkeling van Franciscushof Zuid een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 4).

De Rijksweg N35 is een belangrijke verbindingsroute tussen Zwolle en Twente. De ambitie is om de N35 op te waarderen tot een stroomweg van 2x2 rijkstroken met een maximumsnelheid van 100 km/u. Op dit moment wordt binnen de scope van het project N35 Knooppunt Raalte hierin voorgesorteerd. Door de beperkte lengte van de N35 in het projectgebied is het niet mogelijk 100 km/u in te stellen. Op dit moment is er geen zicht dat binnen 10 jaar een stroomweg gerealiseerd wordt binnen het projectgebied Knooppunt Raalte. Dit betekent dat voor de geluidsberekeningen van de N35 voor de Franciscushof uitgegaan van een 2x1 80 km/u weg.

Voor dit project zijn door Alcedo al meerdere akoestische onderzoeken uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd in rapport 20186835.R03.V02 van 8 oktober 2020, notitie 20186835.N02 van 14 januari 2021 en het rapport 20186835.R04.V02 van 14 oktober 2021. Ten tijde van deze onderzoeken was al bekend dat het knooppunt van de N35 en N348 ongelijkvloers wordt, waarbij de N348 verdiept wordt en onder het spoor en de N35 loopt. Hierbij zal de N348 iets oostelijker komen liggen. Daarnaast was de verwachting dan de N35 op termijn hoogstwaarschijnlijk verdubbeld zal worden in noordoostelijke richting. Hierbij zal de maximumsnelheid ook toenemen van 80 tot 100 km/uur. In de eerder uitgevoerde onderzoeken is met beide varianten gerekend. Inmiddels is bekend dat de verdubbeling pas op langere termijn plaats zal vinden. De verwachting is dat dit niet voor 2040 zal gebeuren. Deze situatie is daarom op dit moment niet relevant.

Uit de eerder uitgevoerde onderzoeken is reeds gebleken dat de varianten 'huidig fysieke situatie N35' en 'toekomstig fysieke situatie van de N35 met 2x1 rijstroken, 80 km/uur, ongelijkvloerse kruising met N35' vergelijkbare resultaten oplevert. Momenteel is er nog geen definitief ontwerp voor de ongelijkvloerse kruising. Bovendien zijn er ook nog geen definitieve verkeersgegevens voor de toekomstige situatie. Het is daarom nog niet mogelijk om de definitieve situatie exact in beeld te brengen. Voor het bestemmingsplan Franciscushof is er nu voor gekozen om zowel de 'huidig fysieke situatie' als de conceptversie met ongelijkvloerse kruising in beeld te brengen. Vervolgens is per woning bekeken welke situatie maatgevend is. De hogere waarde wordt aangevraagd voor de maatgevende situatie.

Bij het ontwerp van het geluidsscherm en de geluidswal tussen het plangebied Franciscushof en de N35 is als uitgangspunt gehanteerd dat bij alle woningen in beide situaties op de begane grond voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai uit de Wet geluidhinder. Er is gerekend met een absorberend geluidsscherm met een maaiveldhoogte van 4,5 meter+ NAP en een hoogte van 3,5 meter. De hoogte van de geluidswal bedraagt overal minimaal 3,5 meter. Deze loopt geleidelijk op naar het uitzichtspunt dat op een hoogte van 8 meter ligt.

Uit dit onderzoek blijkt dat uitgaande van de huidig fysieke situatie voor 62 woningen een hogere waarde nodig is voor de eerste en/of tweede verdieping. Voor de toekomstige situatie met ongelijkvloerse kruising is er voor 54 woningen een hogere waarde nodig voor de eerste en/of tweede verdieping.

De meeste woningen liggen op de grens van het bouwvlak volgens het bestemmingsplan. Voor een aantal woningen is dit niet het geval. Het is denkbaar dat de ligging van de woningen nog iets verschoven wordt binnen het bouwvlak. Daarom is er voor beide situaties ook een variant doorgerekend waarbij de woningen verschoven zijn naar de grens van het bouwvlak. Om te voorkomen dat met een geringe aanpassing in het ontwerp binnen het bestemmingsplan Franciscushof Zuid het aantal hogere waarden niet meer passend is, wordt geadviseerd om een quotum aan hogere waarden aan te vragen. Door het voeren van een geluidsboekhouding dient vervolgens te worden bijgehouden aan welke woning welke hogere waarde is toegewezen.

In tabel 4 van het rapport zijn de aan te vragen hogere waarden weergegeven. Voor de meeste woningen is de waarde in beide situaties gelijk of is de huidige situatie maatgevend. Voor enkele woningen is de toekomstige situatie maatgevend. Zodra de inrichting van knooppunt Raalte definitief is, dient in het kader van dat project getoetst te worden of de vastgestelde hogere waarden nog voldoen of dat deze aangepast moeten worden.

Voor de woningen waar de gecumuleerde geluidsbelasting hoger is dan 53 dB, moet worden onderzocht of de geluidswering van de gevels voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit.

De aanvraag voor hogere waarden heeft gelijktijdig ter inzage gelegen met het ontwerpbestemmingsplan. Het besluit voor vaststelling van hogere grenswaarden in het kader van de Wet geluidshinder, en de bijbehorende motivatie opgesteld door de Omgevingsdienst IJsselland is toegevoegd als Bijlage 5.

Industrielawaai

Met betrekking tot de beoogde ontwikkeling van Franciscushof Zuid dient nagegaan te worden of het HOFtheater als gevolg van het plan niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Er is derhalve onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de te realiseren woningen als gevolg van het HOFtheater (Bijlage 6).

Op basis van het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

Uit het onderzoek komt naar voren dat het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van de activiteiten van het HOFtheater op de gevels van de nieuw te bouwen woningen ten hoogste 43, 46 en 43 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode bedraagt. Hiermee wordt niet voldaan aan de grenswaarden van 45 en 40 dB(A), in respectievelijk de avond- en nachtperiode, zoals in het Activiteitenbesluit opgenomen. In de dagperiode kan wel aan de grenswaarde van 50 dB(A) worden voldaan. Wel is een binnenwaarde van 35 dB haalbaar en daarmee staan de overschrijdingen een goed woon- en leefklimaat niet in de weg.

Hiervoor kan de gemeente met maatwerkvoorschriften ontheffing verlenen of eventueel het dak van het HOFtheater isoleren.

Uit de berekening volgt dat maximale geluidbelasting ten gevolge van de activiteiten op de inrichting van het HOFtheater op de gevels van de te ontwikkelen woningen ten hoogste 65, 66 en 66 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode bedraagt. Hiermee wordt in de dagperiode voldaan aan de grenswaarde van 70 dB(A), zoals in het Activiteitenbesluit is opgenomen. In de avond- en nachtperiode kan niet worden voldaan aan de grenswaarden van respectievelijk 65 en 60 dB(A). In de avond- en nachtperiode blijft de overschrijding door een optrekkende vrachtwagen beperkt omdat het slechts om enkele momenten (aankomen en vetrekken van 1 vrachtwagen in de avondperiode en vetrekken van 1 vrachtwagen in de nachtperiode ) per avond en nacht gaat, daarmee staan de overschrijdingen een goed woon- en leefklimaat niet in de weg. Hiervoor kan de gemeente met maatwerkvoorschriften ontheffing verlenen.

Het equivalente geluidsniveau (LAeq) ten gevolge van indirecte hinder op de gevel van de nieuwbouwwoningen is ten hoogste 58 dB(A). Deze waarde is hoger dan de voorkeurswaarde voor indirecte hinder van 50 dB(A) etmaalwaarde. De gemeente kan onder voorwaarde hogere waarden toelaten tot een hoogte van 65 dB(A) etmaalwaarde.

Op basis van het onderzoek blijkt dat de activiteiten van het HOFtheater in de dagperiode kunnen voldoen aan de in het Activiteitenbesluit gestelde grenswaarden. Voor de avond- en nachtperiode wordt middels maatwerkvoorschriften ontheffing verleend voor de nieuwe woningen. Als gevolg van het plan wordt het HOFtheater niet in de bedrijfsvoering belemmerd.

In het theaterpand is een buitenschoolse opvang (BSO) aanwezig, waarbij de kinderen tevens gebruik maken vaan buitenspeelterrein. Ter aanvulling op het akoestisch onderzoek voor bestemmingsplan Franciscushof Zuid in Raalte, is daarom onderzocht wat de effecten zijn van stemgeluid van de buitenschoolse opvang (BSO) op het nieuwbouwplan (Bijlage 7). Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat het stemgeluid afkomstig van buiten spelende kinderen van de BSO geen belemmering vormt voor de geplande woningbouw. Aanvullende maatregelen voor stemgeluid van de BSO zijn niet nodig. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.5 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

In- en uitwaartse zonering

Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie (een bedrijf of bedrijventerrein) met als doel milieugevoelige functies uit de omgeving te weren. Bij inwaartse zonering wordt vanuit de milieugevoelige functie een bufferzone gecreëerd.

Planspecifiek

Het plangebied bevindt zich ten noordwesten van de kern Raalte en sluit aan op het reeds ontwikkelde noordelijke deel van Franciscushof. Ten noordoosten van Franciscushof bevindt zich een intensieve veehouderij. Dit bedrijf valt onder milieucategorie 3.1 volgens de VNG-lijst met een richtafstand van 50 meter (voor geur). Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. In paragraaf 4.6 wordt nader in gegaan op het aspect geur. Verder zijn er in de nabijheid van het plangebied geen agrarische bedrijven aanwezig.

In de nabijheid van het plangebied bevindt zich ten zuidwesten van de N35 een tankstation. Dit tankstation (met LPG < 1000 m³/jr) heeft voor gevaar een richtafstand van 50 meter. Dit kleinste afstand tot de beoogde woningen bedraagt ca. 90 meter, er wordt daarmee voldaan aan de richtafstand. In paragraaf 4.7 wordt nader in gegaan op de externe veiligheid van het tankstation.

In de nabijheid van het plangebied zijn verder geen bedrijven of inrichtingen aanwezig die van belang zijn voor de milieuzonering. Wel dient er rekening te worden gehouden met de bedrijvigheid van het HOFtheater, gelegen in het plangebied.

Voor het HOFtheater geldt een richtafstand van 30 meter. Met de beoogde ontwikkeling wordt aan deze richtafstand voldaan.

Er kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de VNG-richtafstanden. Bedrijven en milieuzonering vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Geur

De veehouderij speelt bij de planologische ontwikkelingen in en nabij het buitengebied, in relatie tot het aspect geur, meestal een rol in Nederland. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moet voor het aspect geur getoetst worden aan de omgekeerde werking. Hierbij wordt bepaald of het plan niet in strijd is met de wet en of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Voor het aspect geur en veehouderijen is de normering vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze wet bevat afstandsnormen en geurbelastingsnormen die in acht moeten worden genomen bij de besluitvorming. Hierbij geldt dat geurgevoelige objecten die binnen de contouren van de geldende geurnormen (afstandsnormen en geurbelastingsnormen) zijn geprojecteerd in beginsel niet toelaatbaar zijn. Een object binnen deze contouren zal namelijk mogelijk hinder ondervinden van de veehouderij. Tevens zou het ontstaan van een nieuw object binnen deze contouren van een veehouderij een beperking op kunnen leveren bij eventuele wijziging van deze veehouderij.

Het bouwen buiten de contouren van de geldende geurnormen van een veehouderij betekent daarentegen niet zonder meer dat kan worden uitgegaan dat ter plaatse geen geurhinder wordt ondervonden. Om aan te tonen dat er geen geurhinder wordt ondervonden en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd, dient de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige object te worden bepaald (voorgrondbelasting en achter-grondbelasting). De geurhinder die ter plaatse van de geurgevoelige objecten ondervonden wordt, wordt uitgedrukt in een hinderpercentage. Het hinderpercentage is het percentage mensen dat de geur ten gevolge van de veehouderij(en) als hinderlijk ervaart. Deze hinder-percentages kunnen vervolgens worden vertaald naar een milieukwaliteit. De gemeenteraad maakt zelf de afweging welk hinderniveau of milieukwaliteit acceptabel is voor een goed woon- en leefklimaat.

Planspecifiek

In het bestemmingsplan 'Franciscushof' is de geurbelasting van omliggende bedrijven berekend. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele agrarische bedrijven. Enkel het bedrijf op de locatie Knapenveldsweg 16 heeft een kleine tak intensieve veehouderij. In het bestemmingsplan Franciscushof is geconstateerd dat de totale geur-uitstoot van de inrichting 3,458 odour bedraagt. Uit de berekeningen van destijds is gebleken dat de belasting op het plangebied lager is dan de geurnorm van 3 odour die de gemeente Raalte hanteert voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Bovendien is de ligging van de veehouderij (ten noorden van Franciscushof) ten opzichte van onderhavig plan groter dan het uitgangspunt van de berekeningen omdat dit plan enkel betrekking heeft op het zuidelijk deel van Franciscushof

Voor het overige is in de omgeving alleen sprake van percelen waarop niet bedrijfsmatig vee wordt gehouden. Het betreft de percelen Knapenveldsweg 9, 12/12a/14 en 31/33. Deze percelen hebben een woonbestemming maar op basis van het overgangsrecht zijn nog wel mestbassins aanwezig. Vanwege het milieuaspect geur moet voldoende afstand worden aangehouden ten opzichte van de nieuwe woningen in het plangebied. Op grond van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) geldt een aan te houden afstand van 50 m bij een gesloten opslag met een omvang kleiner dan 350 m².

Met de beoogde ontwikkeling wordt ruim voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Externe veiligheid

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed op elkaar worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar

Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen

Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een langetermijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Planspecifiek

Voor een gezonde en veilige leefomgeving en vanuit een goede ruimtelijke ordening, is het van belang om de externe veiligheid rondom het plangebied te inventariseren. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0011.png"

Uitsnede risicokaart externe veiligheid (plangebied: zwart omkaderd, bron: Risicokaart.nl)

In het kader van het bestemmingsplan Franciscushof (2011-04-20) is een rapport voor externe veiligheid opgesteld (Bijlage 8). De Veiligheidsregio heeft dit onderzoek beoordeeld en heeft geadviseerd om de nieuwe externe veiligheidssituatie opnieuw te laten berekenen. Op basis van het advies van de Veiligheidsregio IJsselland is er een Kwalitatieve risicoanalyse (QRA) voor de N35 uitgevoerd (Bijlage 9).

Op basis van de QRA wordt geconcludeerd dat in de toekomstige situatie het groepsrisico niet boven de 0,1 maal de oriëntatiewaarde uitkomt. Een volledige en gedetailleerde verantwoording van het groepsrisico op basis van artikel 8 van het Bevt kan daarom achterwege blijven. Een beperkte verantwoording, conform artikel 7 van het Bevt, van het groepsrisico volstaat. De beperkte verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in hoofdstuk 4 van Bijlage 9.

De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken. De genoemde maatregelen in het rapport kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Er wordt geadviseerd om een calamiteitenplan op te stellen. Ondanks de reductie van het risico is er altijd sprake van een restrisico. Het is aan het bevoegd gezag om aan te geven of zij het restrisico acceptabel achten.

4.8 Explosieven

De mogelijke aanwezigheid van explosieven in de ondergrond houdt in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog. Handelingen die leidden tot niet gesprongen conventionele explosieven in de bodem betroffen bijvoorbeeld het afwerpen van munitie, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, gevechten tijdens de begin-, tussen- en eindfase van de Tweede Wereldoorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden en dergelijke.

Indien er bij voorgenomen (graaf)werkzaamheden een redelijk vermoeden bestaat op het aantreffen van conventionele explosieven (CE) in de (water)bodem dient een vooronderzoek conform de WSCS-OCE uitgevoerd te worden. Dit wordt voorgeschreven door de vereniging voor Explosieven Opsporing (VEO) en is verankerd in de bouwprocesbepalingen in het Arbobesluit en de V&G voorbereidingsfase.

Planspecifiek

Op basis van de Risicokaart niet gesprongen explosieven van de gemeente Raalte volgt dat graafwerkzaamheden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling niet plaatsvinden ter plaatse van een risicogebied voor niet gesprongen explosieven. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de gemeentelijke risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0012.png"

Risicokaart niet gesprongen explosieven gemeente Raalte

Aangezien er ter plaatse van het risicogebied, dat deels binnen de plangrenzen valt, geen graafwerkzaamheden plaats zullen vinden, is onderzoek niet nodig.

4.9 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • 1. vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • 2. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • 1. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • 2. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft er een watertoets plaatsgevonden (Bijlage 10). Voor de uitvoering wordt tevens in afstemming met het Waterschap Drents Overijsselse Delta een waterhuishoudkundig plan opgesteld.

Het doorlopen van de watertoetsprocedure is bedoeld om te borgen dat er voldoende rekening wordt gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten bij de verdere uitwerking van het plan.

Navolgend is de waterparagraaf opgenomen.

Invloed op waterhuishouding

De ontwikkeling van nieuwe woningen en verhardingen zorgen voor een toekomstig netto verhard oppervlak van circa 44.535 m². Dit oppervlakte is verrekend met het verharde oppervlakte van Noord (31.700 m²) wat leidt tot een bergingsopgave van 6.099 m³ bij een norm van 80 mm. 700 m³ wordt geborgen in de wadi’s in Zuid en 223 m³ in een greppel. De resterende 5.176 m³ wordt geborgen in de bergingsvijver. Dit leidt tot een peiltoename van 26 cm.

In het oude plan werd uitgegaan van een bergingscapaciteit van wadi’s. Voor de huidige berekening is een inschatting gemaakt van de bergingscapaciteit van de wadi’s. Een detaillering vindt plaats in uit te werken waterhuishoudkundigplan.

Op basis van deze berekening wordt verwacht dat ook aan de eis van de gemeente van waterberging van 90 mm in 1 uur wordt voldaan zolang de inrichting van het openbaar terrein ervoor zorgt dat regenwater bij hevige neerslag te allen tijde onbelemmerd bovengronds kan afstromen naar een laag punt waar het niet tot overlast leidt.

Voorkeursbeleid hemel- en afvalwater

In de toekomstige situatie zal het regenwater vertraagd worden afgevoerd volgens de trits ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Dit betekent dat, waar mogelijk, de voorkeur uit gaat naar een bovengrondse afvoer. De bergingsvoorzieningen zorgen voor een vertraagde afvoer van water naar het omliggende oppervlaktewater.

De nieuwe woningen worden aangesloten op bestaande DWA-riolering in kruising Voorhof / Bethovenlaan. In het op te stellen totaal ontwerp zal zowel het watersysteem als de riolering nader worden uitgewerkt.

Wateroverlast

Op basis van de ingewonnen informatie zal de GHG naar verwachting rond +3,11 m NAP komen te liggen. Om te voldoen aan de ontwateringeis is het advies de bebouwing minimaal op +3,91 m NAP aan te leggen en de primaire wegen op +4,11 m NAP. Groen moet op minimaal 3,61 m NAP worden aangelegd.

Uit de hoogteligging komt naar voren dat er binnen het plangebied gebieden zijn die onder de 3,61 m NAP liggen. Er zal dus op meerdere plekken moeten worden opgehoogd.

Wateroverlast wordt voorkomen door het plangebied zo in te inrichten dat voldaan wordt aan de ontwatering- en droogleggingseisen. De inrichting van het openbaar terrein dient zo te zijn dat regenwater bij hevige neerslag te allen tijde onbelemmerd bovengronds kan afstromen naar een laag punt waar het niet tot overlast leidt. Dit is richting de vijverpartijen, wadi’s en verlaagde groenstroken. Door voldoende afschot vanaf de bebouwing in alle windrichtingen te houden is wateroverlast bij extremen zoals een bui T250 te voorkomen.

Beschermingszone

Aan de noordkant ligt een primaire watergang (bestaande bergingsvijver) met een beschermingszone. Werkzaamheden binnen deze zone zijn vergunning- of meldingsplichtig. Het plaatsen van bomen binnen deze zone dient afgestemd te worden met waterschap en gemeente.

Overstromingsrisico

In dit gebied is een zeer klein overstromingsrisico van 1/3.000 tot 1/30.000 jaar (bron: klimaatatlas.nl).

4.10 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.

Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in standhouden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Soortenbescherming

In het kader van de beoogde ontwikkeling is er een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd inclusief nader onderzoek (Bijlage 11).

Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied een functie heeft voor vleermuizen, eekhoorn, egel en steenmarter. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de aandachtspunten met betrekking tot de relevante beschermde soorten. Tevens is de eventuele noodzaak voor een ontheffingsprocedure in het kader van de Wet natuurbescherming opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0013.png"

Tabel 1. Overzicht van de conclusies en vervolgstappen per aangetroffen soort(groep)

In de tabel is te zien dat mogelijk ontheffing nodig is voor verschillende soorten.

Uit de quickscan is naar voren gekomen dat enkele bomen met holten aanwezig zijn in het plangebied. Uit het nader onderzoek is naar voren gekomen dat aanwezige boomholten niet werden gebruikt als vaste verblijfplaats door vleermuizen. De enige vaste verblijfplaats in de directe omgeving van het plangebied was aanwezig in het Hoftheater. Het gros van de holten bleek in het vliegseizoen van vleermuizen bovendien dermate beschut te zijn door takken en bladeren dat de holten niet geschikt zijn voor vleermuizen. Uit het stedenbouwkundig plan blijkt dat de bomen met holten nagenoeg allemaal buiten de te bebouwen vlakken vallen. De enige boom met een holte die (mogelijk) wel binnen een te bebouwen vlak valt was ten tijde van het nadere onderzoek dermate doorgerot dat hij geen duurzame verblijfplaats voor vleermuizen kan vormen. Van vernietiging van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen is dus in geen geval sprake.

Tijdens het nader onderzoek zijn enkele essentiële vliegroutes aangetroffen. De aanwezige vleermuizen gebruiken (voornamelijk) de bomenrij langs de Harinkdijk – Voorhof om vanuit stedelijk gebied richting het bosrijke plangebied te trekken. Wanneer dergelijke bomenrijen zouden komen te vervallen zou ook de vliegroute aangetast worden. In dat geval zou een ontheffing noodzakelijk zijn. Uit het stedenbouwkundige plan blijkt echter dat deze bomenrij onaangetast blijft, hiermee blijft ook de vliegroute onaangetast. Een ontheffing voor vernietiging van vliegroutes is daarmee niet aan de orde.

Essentieel foerageergebied voor vleermuizen is op basis van het onderzoek niet aanwezig binnen het plangebied. De gewone dwergvleermuis en laatvlieger die hier foeragerend zijn waargenomen hebben in het nieuwe plan voldoende foerageergelegenheid. De gewone dwergvleermuis kan foerageren in de tuinen, langs bomenrijen en in en langs de randen van het bosgebied wat is opgenomen in het plan. De laatvlieger kan tevens foerageren in en langs de randen van dit bosgebied en heeft voldoende uitwijkmogelijkheden naar weilanden ten noorden, oosten en westen van het plangebied. Het foerageergebied van de watervleermuis blijft gehandhaafd in het plan.

De steenmarter maakt naar verwachting vooral gebruik van de bosranden en de meer open arealen om te jagen. Gezien de locaties waar de steenmarter is aangetroffen (de oostkant van het plangebied), is de verwachting dat de soort een verblijfplaats heeft in één van de gebouwen/boerderijen ten oosten van het plangebied. Op basis van het stedenbouwkundig plan is de verwachting dat steenmarter zich prima kan handhaven in de nieuwe situatie waarbij meer bebouwing aanwezig is. De soort gedijd goed in stedelijke omgevingen, mits voldoende groen, schuilgelegenheid en rust aanwezig is. Dit is het geval in de nieuwe situatie. Mocht de steenmarter toch enige verstoring ondervinden gedurende de bouwfase van de woonwijk, dan is er in de omgeving voldoende geschikt terrein aanwezig waar de soort rust en voedsel kan vinden

De voorgenomen ontwikkeling heeft een negatieve impact op het leefgebied van de eekhoorn en de egel. Om deze reden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) nodig en dienen passende oplossingen te worden gevonden voor de mitigatie van de betreffende soorten. Voor de ontheffingsaanvraag wordt een activiteitenplan opgesteld.

Uit de bronnenstudie die in het kader van het naderonderzoek heeft plaatsgevonden bleek destijds dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde dagvlinders, nachtvlinders of libellen waren gemeld. Ook zijn dergelijke soorten niet aangetroffen binnen het plangebied tijdens het onderzoek in 2019. Inmiddels zijn wel enkele waarnemingen van beschermde dagvlinders, nachtvlinders en libellen bekend. Daarom is het plangebied aanvullend beoordeeld op (potentiële) aanwezigheid van deze soorten (Bijlage 12). Vervolgens zijn de bevindingen getoetst aan de Wet natuurbescherming, waarbij rekening is gehouden met het huidige ontwerp van de voorgenomen ontwikkeling.

Op basis van de bronnenstudie en het aanvullende veldbezoek is het niet mogelijk om aanwezigheid van voortplantingshabitat van kleine ijsvogelvlinder en sleedoornpage binnen het plangebied uit te sluiten. Potentieel voortplantingshabitat van deze soorten is binnen het plangebied echter beperkt aanwezig en bevindt zich aan de zuidwestelijke zijde van het gebied. Indien voorgenomen werkzaamheden volgens plan worden uitgewerkt, blijven de potentiële voortplantingslocaties van kleine ijsvogelvlinder en sleedoornpage onaangetast. Van overtreding van de Wet natuurbescherming is in dat geval geen sprake, en zijn vervolgstappen niet nodig.

Gebiedsbescherming

Om inzichtelijke te maken of beschermde gebieden in het geding kunnen zijn met de beoogde ontwikkeling is er een inventarisatie gedaan naar omliggende beschermde natuurgebieden (Bijlage 13).

Natura 2000-gebieden

Uit de inventarisatie blijkt dat er vier Natura 2000-gebieden op enige afstand van het plangebied liggen, namelijk ‘Boetelerveld’ op circa 4,5 km, ‘Rijntakken’ op circa 8 km en ‘Sallandse Heuvelrug’ en ‘Vecht- en Beneden-Reggegebied’ op circa 9,3 km. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging of verdroging. Negatieve effecten van geluid, beweging en trilling op de instandhoudingsdoelstellingen zijn uit te sluiten.

De werkzaamheden kunnen in de aanlegfase gepaard gaan met emissie van stikstof. Daarnaast heeft de gebruiksfase ook effect op de hoeveelheid stikstof die vrijkomt. Deze emissie kan zich over een afstand van meerdere kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op stikstofgevoelige habitats en/of leefgebieden op Natura 2000-gebieden. Om de hoeveelheid stikstofdepositie met zekerheid vast te stellen, is een stikstofberekening (AERIUS-berekening) uitgevoerd. Hier wordt in paragraaf 4.11 nader op ingegaan.

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied is gelegen op circa 140 m van het dichtstbijzijnde NNN-gebied. De werkzaamheden vallen buiten de begrenzing van het NNN en hebben geen negatief effect op het NNN. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure is niet nodig.

Bos- en natuurgebieden buiten het NNN

De bestemming bos en/of natuur is niet aanwezig binnen het huidige bestemmingsplan waarbinnen het plangebied zich bevind. Het beschermingsregime voor bos- en natuurgebieden buiten het NNN is niet van toepassing. Een nadere procedure is niet nodig.

Zone Ondernemen voor Natuur en Water

Het plangebied ligt op circa 440 m afstand van de dichtstbijzijnde aangewezen ‘Zone Ondernemen met Natuur en Water’. Externe werking is niet van toepassing. Een nadere procedure hoeft niet te worden doorlopen.

Bovenstaande wijst uit dat het onderdeel gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming (met uitzondering van het onderdeel stikstof) en provinciaal beleid de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.11 Stikstofdepositie

Een (wijziging van een) bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld als het plan geen significant effect heeft op de Natura 2000-gebieden ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie. Dit is het geval indien uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar). Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) op reeds overbelaste habitattypen is net als bij projecten meestal een passende beoordeling nodig en tenminste een voortoets. Als uit de passende beoordeling (of voortoets) blijkt dat significante gevolgen zijn uitgesloten, of als de ADC-toets met succes is doorlopen, mag het bestemmingsplan vastgesteld worden. De Wet natuurbescherming staat dan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan.

Planspecifiek

Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Er is derhalve een AERIUS-berekening uitgevoerd waarbij is nagegaan of bij uitvoering van het plan significante negatieve effecten optreden in stikstofgevoelige habitattypen en/of stikstofgevoelige leefgebieden in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase (Bijlage 14).

Op basis van de AERIUS-berekening blijkt dat voor de aanlegfase ten opzichte van de referentiesituatie en voor de gebruiksfase toenames van de stikstofdepositie lager dan 0,00 mol N/ha/jaar zijn berekend. Negatieve effecten op beschermde stikstofgevoelige habitattypen of stikstofgevoelige leefgebieden van beschermde soorten zijn daarmee uitgesloten. Stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van Franciscushof Zuid.

4.12 Verkeer en parkeren

4.12.1 Verkeer

Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan weg rijdt.

Planspecifiek

Op basis van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' is de verkeersgeneratie bepaald voor het plan. Voor de kengetallen is uitgegaan van 'weinig stedelijk' gebied en 'rest bebouwde kom'. Voor vrachtwagens is uitgegaan van 0,02 verkeersbewegingen per woning per weekdag.

Navolgende tabel toont de verwachte verkeersgeneratie in de gebruiksfase. Hierbij is worst case van de maximale verkeersgeneratie uitgegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0014.png"

Tabel 2. Verkeersgeneratie beoogde situatie

Het plangebied wordt voorzien van goede ontsluitingsmogelijkheden door de aanleg van een nieuwe infrastructuur. Door de aanpassing van knooppunt Raalte ontstaat er een nieuwe entree voor Franciscushof. De bestaande aansluiting op de Beethovenlaan wordt opgeheven en ter hoogte van de Harinkdijk wordt aangetakt op de Knapenveldsweg. Ter hoogte van de kruising Harinkdijk met Knapenveldsweg is de hoofdentree van Franciscushof. Vanuit de hoofdentree splitst het verkeer zich in drie richtingen. Franciscushof Noord, Franciscushof Zuid met de Velden en de Erven en een doorgaande (fiets)straat die Bosrijk en het Eiland ontsluit. Deze route verbindt ook Raalte met het landgoed ‘t Reelaer en het buitengebied. Aan het einde van de route wordt die mogelijk verbonden met de Knapenveldsweg. Dit is afhankelijk van de reconstructie van de N35 en zal in het kader daarvan afgewogen worden.

Voor alle wegen in het plangebied geldt een maximale snelheid van 30km/uur. De beoogde infrastructuur zal voorzien in voldoende capaciteit om het verkeer van de woonwijk goed af te kunnen wikkelen.

4.12.2 Parkeren

Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.

Planspecifiek

Bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen bestond voor de gemeente lange tijd als het gaat om parkeren geen wettelijk kader. Er werd gebruik gemaakt van de parkeerkencijfers van de CROW. Deze normen worden landelijk toegepast en in de jurisprudentie veelal als toetsingskader gebruikt. De normen waren in Raalte niet formeel vastgelegd in gemeentelijke kaders en beleid. In 2015 is door de gemeente de 'Parkeernormen Raalte 2015' vastgesteld. Nieuwe ontwikkelingen rondom ruimtelijke wetgeving maken dit wel noodzakelijk. Om deze reden heeft de gemeente Raalte op 3 november 2015 de 'Parkeernormen Raalte 2015' vastgesteld. In het Paraplubestemmingsplan Parkeren is dit parkeerbeleid voor alle bestemmingsplannen van de gemeente Raalte vastgelegd. De parkeerregels uit het paraplubestemmingsplan worden in onderhavig plan overgenomen.

Voor de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van 'rest bebouwde kom'. Onderstaande tabel geeft een overzicht en berekening voor het aantal parkeerplaatsen met de parkeernormen die gehanteerd zijn. De onderstaande tabel is gebaseerd op het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan van SVP. Bij de aanpassing van het woningbouwprogramma De Erven is rekening gehouden met het aspect parkeren.

functie   parkeernorm   aantal woningen   aantal parkeernormen  
vrijstaand   2,3   41   94,3  
twee-onder-een-kap   2,2   56   123,2  
tussen/hoek (incl vierspanners)   2,0   66   132  
totaal     163   350  

Het uitgangspunt is parkseren zoveel mogelijk uit het zicht te houden. Dit wordt gedaan door parkeren grotendeels op de achterterreinen van de eigen kavels te realiseren. Parkeerplaatsen voor bezoekers worden langs de straat gerealiseerd. Daarnaast wordt het parkeren rond het HOFtheater anders georganiseerd. Het huidige parkeerterrein wordt herschikt zodat het één geheel gaat vormen met de tuin rondom het HOFtheater. Voor het HOFtheater zijn in totaal 190 parkeerplaatsen benodigd. Het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen komt daarmee op 540 (190 + 350). Navolgende tabel geeft een overzicht van de in het stedenbouwkundig plan van SVP getekende parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen zijn hierbij geteld zoals beschreven in de parkeernormennota van de Raalte. De aanpassing aan het woningbouwprogramma van De Erven is hierin niet meegenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0177.BP20210012-GV01_0015.png"

Aantal parkeerplaatsen (bron: Bijlage 1)

Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de parkeernorm. Parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.13 Cultuurhistorie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer.

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Planspecifiek

In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Tevens zijn de gronden van het plangebied geen onderdeel van cultureel erfgoedgebied.

In het kader van het bestemmingsplan Franciscushof is de cultuurhistorische en landschappelijke waarde van het landschap bestudeerd. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat de locatie Franciscushof onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van het landgoederenlandschap. Het gebruik van het complex als geheel, of van enkele gebouwen is een mogelijkheid die serieus overwogen moet worden. Gesteld wordt dat de plek een samenhangend landschapsontwerp vereist, waarbij ‘contrast’ het sleutelwoord is. Bouwen op de locatie Franciscushof dient samen te gaan met het openhouden van het Knapenveld (omgeving boerderij) en aanvullende bosaanplant langs de Knapenvelderweg. Een ‘groene wig’ dient de Franciscushof te scheiden van Raaltes noordelijke woonwijken. De zone langs de N35 kan vele invullingen krijgen, mede afhankelijk van geluidsoverlast en de toekomstige ontsluiting van het gebied. Voor wat betreft het behoud van gebouwen en elementen, wordt behoud van het HOFtheater van belang geacht. Het behoud van andere gebouwen of elementen is in het kader van het stedenbouwkundig plan onderzocht, maar gezien de leeftijd en ligging van de gebouwen niet zinvol gebleken.

Ten noorden van het plangebied ligt het landgoed ’t Reelaer. Het Reelaer werd voor het eerst genoemd in 1430, wanneer het erfpachtgoed van de bisschop van Utrecht en later van de Staten van Overijssel betreft. In de daaropvolgende eeuwen behoorde het aan verschillende adellijke families toe, waaronder Van Ittersum en Van Vidal. Sinds 1911 is Het Reelaer in handen van de familie Van Welderen, die de naam van baron Rengers draagt. De oorspronkelijke havezate is in het begin van de 19e eeuw afgebroken. De huidige villa bestaat naast het hoofdgebouw ook uit een stalgebouw, een koetshuis en een bouwhuis. In 1939 bestond het landgoed van Het Reelaer uit 240 hectare.

Ten behoeve van de historische situatie zijn diverse historische kaarten geraadpleegd. Hieruit kan worden afgeleid dat het gebied tot in de 19e eeuw grotendeels onbebouwd was en slechts plaatselijk in ontginning gebracht. Op de kadastrale minuutplan van 1832 staan enkele onverharde wegen en paden en boerenhoeves en erven weergegeven in dit gebied ten noorden van Raalte. Binnen het plangebied ligt in de noordoosthoek een boerderijplaats met een klein landbouwcomplex eromheen. Ook op de Hottingerkaart blijkt dat deze boerderij ook al in het eind van de 18e eeuw aanwezig was.

Ter plaatse en rond de locatie van een historische boerderijplaats in het noordoosten van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor bewoningsresten en erf gerelateerde sporen uit de periode Middeleeuwen-Nieuwe tijd. In onderhavig bestemmingsplan is hiervoor een dubbelbestemming voor archeologische waarde opgenomen.

Met het stedenbouwkundig plan voor onderhavige ontwikkeling is invulling gegeven aan de landschappelijke waarde van het gebied en de omgeving. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van Franciscushof Zuid.

4.14 Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van de Wamz zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 15).

Het landschap bestaat voor een groot gedeelte in een relatief lagere dekzandvlakte. Dit gebied heeft een lage archeologische verwachting. Er kunnen weliswaar archeologische waarden aanwezig zijn, maar de dichtheid is zeer laag en de spreiding zeer dun. Resten kunnen bestaan uit sporen van laatmiddeleeuwse en nieuwtijdse ontginningswerkzaamheden of landinrichting (esgreppels, diverse kuilen, raaien paalkuilen van afrasteringen en sloten en greppels). In het noordwestelijke deel ligt het plangebied op de daarbuiten doorlopende dekzandrug. Deze zone ligt relatief hoger in het reliëf en was in het verleden een geschikte locatie voor bewoning. Hier kunnen archeologische waarden uit verschillende perioden vanaf de steentijd aangetroffen worden en geldt een middelhoge archeologische verwachting.

Ter plaatse van de historische boerderijplaats in het noordoosten van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van bewoningsresten uit de Middeleeuwen en Nieuw tijd. Geadviseerd wordt op deze locatie een bufferzone van 75 m rond de boerderijplaats aan te houden (d.w.z. een zone met een straal van 37,5 m vanuit het middelpunt van de boerderijplaats.

Geadviseerd wordt een dubbelbestemming voor archeologische waarden op te nemen in het nog vast te stellen bestemmingsplan voor de zone binnen het plangebied met een middelhoge archeologische verwachting (dekzandrug) en voor de zone met een hoge archeologische verwachting ter plaatse van de historische boerderijplaats. Voor het gebied met een middelhoge archeologische verwachting wordt geadviseerd een beleidsgrens te hanteren van 5.000 m² en dieper dan 0,5 m -mv. Voor de zone met een hoge archeologische verwachting is die beleidsgrens 2.500 m² en een diepte te van 0,5 m -mv.

In het overige deel van het plangebied in het plangebied waar een lage archeologische verwachting is vastgesteld wordt geadviseerd geen dubbelbestemming Waarde – Archeologie op te nemen in het bestemmingsplan. Hier geldt geen verplichting bij bodemingrepen tot het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek.

Gekoppeld aan de dubbelbestemming Waarde – Archeologie wordt geadviseerd dat bij bodemingrepen groter dan de vastgestelde beleidsgrenzen voorafgaand een inventariserend veldonderzoek (IVO) uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Dit booronderzoek heeft als doel de bodemopbouw vast te stellen en de mate van gaafheid daarvan in kaart te brengen. Uit de resultaten van het booronderzoek kan worden bepaald of en zo ja waar kansrijke zones zijn voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Indien daarvan sprake is zal een karterend/waarderend (boor)onderzoek noodzakelijk zijn om deze vindplaatsen daadwerkelijk op te sporen en te waarderen. Het verkennend booronderzoek dient te worden uitgevoerd conform de KNA protocol 4003 en de SIKB Leidraad karterend booronderzoek.

Voor het hele plangebied geldt dat indien bij de uitvoering van werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.15 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

Het vaststellen van een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Er is geen sprake van een exploitatieplan omdat de gronden in eigendom zijn van de gemeente Raalte. Derhalve is een gemeentelijke grondexploitatie opgesteld en als bijlage gevoegd bij het bestemmingsplan (Bijlage 16). Het verhaal van kosten is derhalve anderszins verzekerd.

Omdat de grondexploitatie sluit met een negatief exploitatieresultaat is conform de BBV-voorschriften hiervoor een voorziening getroffen van eenzelfde omvang als het negatief exploitatieresultaat. De economische uitvoerbaarheid is gewaarborgd.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

Enkelbestemmingen

Groen

Groenelementen van formaat zijn voorzien in de bestemming Groen. Verder kunnen in deze bestemming paden, speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen worden gerealiseerd. Binnen deze bestemming is ook de mogelijkheid voor het plaatsen van een geluidscherm en het aanleggen van een geluidwal voorzien. Het is tevens mogelijk binnen deze bestemming parkeervoorzieningen en woonstraten aan te leggen. Met deze brede bestemmingsregeling wordt flexibiliteit geboden. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. Deze bestemming is opgenomen voor een groot deel van het plangebied.

Verkeer - Verblijfsgebied

De openbare wegen en parkeerterreinen zijn voorzien van de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied. Binnen deze bestemming zijn tevens pleinen en paden, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, groenen watervoorzieningen en speelvoorzieningen toegestaan. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan.

Water

Ten noorden van het plangebied bevindt zich een waterplas welke deels binnen de gronden van het plangebied valt. Hiervoor is de bestemming water opgenomen. Deze bestemming is hoofdzakelijk bedoeld voor waterberging en waterhuishouding. Daarnaast zijn ook groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en voet en fietspaden binnen deze bestemming toegestaan.

Wonen - 1/ Wonen - 2

Voor de woonbestemming is onderscheid gemaakt in Wonen - 1 en Wonen - 2. Deze bestemmingen zijn beide hoofdzakelijk bestemd voor wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroep en/of bedrijf aan huis. Binnen Wonen - 1 zijn vrijstaande woningen, twee-aaneengebouwde woningen en aaneengebouwde woningen toegestaan. Binnen Wonen - 2 zijn vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen toegestaan. Het maximum bebouwingspercentage voor Wonen - 1 is 60% en voor Wonen - 2 geldt een maximum bebouwingspercentage van 40%. Met Wonen - 1 en Wonen - 2 worden daarmee verschillende woonmilieus gecreëerd.

Dubbelbestemmingen

Waarde - archeologische verwachtingswaarde hoog

Deze dubbelbestemming is opgenomen in het plan ter plaatse van de historische boerderijplaats in het plangebied. Voor deze gronden is nader onderzoek nodig bij werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m -mv.

Waarde - archeologische verwachtingswaarde middelhoog

De dubbelbestemming is opgenomen voor de gronden in het noorden van het plangebied. Voor deze gronden is nader onderzoek nodig bij werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,5 m -mv.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.

6.2 Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg toegezonden aan de volgende vooroverleg partners: Veiligheidsregio IJsselland, Provincie Overijssel, Omgevingsdienst IJsselland, Waterschap Drents Overijsselse Delta. De binnengekomen reacties zijn verwerkt in het plan.

6.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 15 juli 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn in totaal 9 zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen zijn beantwoord en voor zover van toepassingen verwerkt in het bestemmingsplan. De beantwoording is opgenomen in de zienswijzennota (Bijlage 18).