direct naar inhoud van 3.7 Ecologie
Plan: Kiezebos III
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0177.00000012-0004

3.7 Ecologie

In juli 2008 is door DHV een Ecologische Quickscan (externe analoge bijlage) uitgevoerd naar de effecten van woningbouw op de locatie Kiezebos III. De effecten zijn getoetst aan de hiervoor geldende natuurwetgeving op basis van beschikbare gegevens. Aan de hand van de onderzoeksresultaten wordt bepaald of een vervolg (veld)onderzoek nodig is. Het rapport is genaamd: "Kiezebos III, Heino Ecoscan: Toetsing aan natuurbeleid- en wetgeving'.

Gevolgen van inrichting volgens natuurwetgeving

Provinciale uitwerking van het compensatiebeginsel

Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur of gebieden met een hoge natuur- en/of landschapswaarde. Er zal geen beplanting verwijderd worden die onder de richtlijnen voor compensatie van Natuur en Bos valt. Ook worden geen aandachtssoorten verwacht. Compensatie hiervoor is dan ook niet nodig.

Mogelijk komen er in het plangebied wel Rode Lijstsoorten voor. Als deze soorten daadwerkelijk voorkomen geldt het provinciaal compensatiebeginsel. Er is nader onderzoek nodig naar het voorkomen van Rode Lijst soorten en aandachtssoorten van de volgende soortgroepen: vleermuizen en amfibieën.

Natuurbeschermingswet

Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van beschermd natuurgebied. Deze wet is daarom niet van toepassing.

Flora- en faunawet

In het kader van de Flora- en faunawet zijn effecten op:

  • 1. broedvogels;
  • 2. vleermuizen;
  • 3. amfibieën;

van belang bij de ontwikkeling van het plangebied.

  • 1. Als de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd worden hoeft voor broedvogels geen ontheffing aangevraagd te worden. Het broedseizoen loopt van 15 maart tot 15 juli. Dit geldt ook wanneer buiten het broedseizoen wordt gestart en onverminderd wordt doorgegaan in het broedseizoen. Wanneer de werkzaamheden echter zo worden gepland dat vogels er in een stille periode kunnen gaan broeden, kunnen wel negatieve effecten optreden als de intensiteit van de werkzaamheden weer toeneemt. In dat geval wordt de Flora- en faunawet overtreden. In het plangebied worden geen vast nest- en verblijfplaatsen verwacht. In de omgeving kunnen deze wel voorkomen. Effecten hierop zijn niet uit te sluiten.
  • 2. Effecten op vleermuizen zijn niet uit te sluiten. Er is nader onderzoek nodig om het belang van het gebied voor vleermuizen te bepalen.
  • 3. Effecten op amfibieën zijn niet uit te sluiten. Er is nader onderzoek nodig om het belang van het gebied voor amfibieën te bepalen.

Vervolgstappen

Er is op dit moment onvoldoende informatie beschikbaar om het voorkomen van beschermde (Flora- en faunawet) en bedreigde (Rode Lijst) soorten vleermuizen en amfibieën uit te sluiten. Door de geplande bouwwerkzaamheden zouden deze soorten echter wel negatieve effecten kunnen ondervinden.

De mogelijke aanwezigheid van broedvogels stelt voorwaarden aan het tijdstip van de werkzaamheden. Als het niet zeker is dat aan de voorwaarde kan worden voldaan dat tussen 15 maart en 15 juli geen verstoring op mag treden, is nadere informatie over het voorkomen van broedvogels nodig.

Aanvullend onderzoek (vleermuizen)

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er voor het aantasten van het leefgebied van het Bermpje een ontheffing van de Flora- en faunawet nodig is. Deze is in voorbereiding.

Langs de Molenweg zal ten behoeve van de vleermuizen, aangepaste straatverlichting zal worden geplaatst, waardoor geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden.

De ontheffing van de Flora- en faunawet zal worden aangevraagd bij Dienst Regelingen van DLG.